
We gaan verder met Numeri. En ze hebben het lastig. Het volk heeft het lastig. Mozes heeft het lastig. En God, God heeft het ook lastig. Het is een verhaal van een volk met heimwei. Een boze God. En een Mozes die daar dan weer tussenin staat.
Luister nu de nieuwste aflevering van Gelukkig De Mens: Vermalen via #spotify, #pocketcasts, #applepodcasts, www.gelukkigdemens.nl/215-vermalen in je eigen podcastapp. #bijbel #overdenking #bezinning #podcast
Numeri 11
Het volk begon de HEER zijn nood te klagen. Toen de HEER dat hoorde ontstak Hij in woede, en het vuur van de HEER laaide op en greep om zich heen aan de rand van het kamp. Het volk riep Mozes luid om hulp en Mozes bad tot de HEER. Toen doofde het vuur. Ze noemden die plaats Tabera, omdat daar het vuur van de HEER bij hen was opgelaaid.
Het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok, was onverzadigbaar, en ook de Israëlieten begonnen weer te klagen. ‘Hadden we maar vlees te eten!’ zeiden ze. ‘We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten hadden, naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en knoflook. We drogen uit, we zien nooit iets anders dan dat manna.’ (Het manna leek op korianderzaad maar had de kleur van balsemhars. Ze verzamelden het overal in de omtrek, maalden het met een handmolen of stampten het fijn in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. Die smaakten alsof ze in olie gebakken waren. Wanneer het kamp ’s nachts door de dauw bedekt werd, daalde ook het manna erop neer.)
[...]
Luister nu de nieuwste aflevering van Gelukkig De Mens: Vermalen via #spotify, #pocketcasts, #applepodcasts, www.gelukkigdemens.nl/215-vermalen in je eigen podcastapp. #bijbel #overdenking #bezinning #podcast
Numeri 11
Het volk begon de HEER zijn nood te klagen. Toen de HEER dat hoorde ontstak Hij in woede, en het vuur van de HEER laaide op en greep om zich heen aan de rand van het kamp. Het volk riep Mozes luid om hulp en Mozes bad tot de HEER. Toen doofde het vuur. Ze noemden die plaats Tabera, omdat daar het vuur van de HEER bij hen was opgelaaid.
Het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok, was onverzadigbaar, en ook de Israëlieten begonnen weer te klagen. ‘Hadden we maar vlees te eten!’ zeiden ze. ‘We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten hadden, naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en knoflook. We drogen uit, we zien nooit iets anders dan dat manna.’ (Het manna leek op korianderzaad maar had de kleur van balsemhars. Ze verzamelden het overal in de omtrek, maalden het met een handmolen of stampten het fijn in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. Die smaakten alsof ze in olie gebakken waren. Wanneer het kamp ’s nachts door de dauw bedekt werd, daalde ook het manna erop neer.)
[...]
