"Alles van waarde is weerloos", de podcast waarin ik, Allard Amelink, op zoek ga naar de mooiste gedichten uit het Nederlands taalgebied. Dat doe ik door jou als luisteraar te vragen naar je favoriete gedicht. Zo bouwen we samen een canon van de mooiste poëzie.
Eigenlijk geloof ik niets, en twijfel ik aan alles, zelfs aan U. Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft, dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam, en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U.
Wanneer ik morgen doodga, vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield. Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt of uit de takken valt, hoeveel ik van je hield. Vertel het aan een kind dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan een dier, misschien alleen door het aan te kijken. Vertel het aan de huizen van steen, vertel het aan de stad hoe lief ik je had. Maar zeg het aan geen mens, ze zouden je niet geloven. Ze zouden niet willen geloven dat alleen maar een man alleen maar een vrouw dat een mens een mens zo liefhad als ik jou.
Als kleine vogels nestelden je handen in de bonten mouwen van je mantel. Fladderden over de breede randen, Je vingers beurtelings vleugels of halzen, Je glanzende nagels roze snavels.
Je wimpers waren kleine waaiers, Die je bezwerend neer kon slaan, Voor wat je te zeer zou hebben ontdaan, Of wat in je oogen kon ontstaan. Maar soms ontgingen hen toch je tranen.
Vlam in mij, laai weer op; hart in mij, heb geduld, verdubbel het vertrouwen - vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen de vleugelen, de nu nog moede en grauwe; o, wiek nu op uit de verbrande takken en laat den moed en uwe vaart niet zakken; het nest is goed, maar het heelal is ruimer.
Wilhelmus van Nassouwe ben ik, van Duitsen bloed, den vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood. Een Prinse van Oranje ben ik, vrij, onverveerd, den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.
In Godes vrees te leven heb ik altijd betracht, daarom ben ik verdreven, om land, om luid gebracht. Maar God zal mij regeren als een goed instrument, dat ik zal wederkeren in mijnen regiment.
Lijdt u, mijn onderzaten die oprecht zijt van aard, God zal u niet verlaten, al zijt gij nu bezwaard. Die vroom begeert te leven, bidt God nacht ende dag, dat Hij mij kracht zal geven, dat ik u helpen mag.
Lijf ende goed tezamen heb ik u niet verschoond, mijn broeders, hoog van namen hebben 't u ook vertoond Graaf Adolf is gebleven in Friesland in den slag, zijn ziel in 't eeuwig leven verwacht den jongsten dag.
Edel en hooggeboren, van keizerlijken stam, een vorst des rijks verkoren, als een vroom christenman, voor Godes woord geprezen, heb ik, vrij onversaagd, als een held zonder vrezen mijn edel bloed gewaagd.
Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer, op U zo wil ik bouwen, Verlaat mij nimmermeer. Dat ik doch vroom mag blijven, uw dienaar t'aller stond, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt.
Van al die mij bezwaren en mijn vervolgers zijn, mijn God, wil doch bewaren den trouwen dienaar Dijn, dat zij mij niet verrassen in haren bozen moed, hun handen niet en wassen in mijn onschuldig bloed.
Als David moeste vluchten voor Sauel den tiran, zo heb ik moeten zuchten als menig edelman. Maar God heeft hem verheven, verlost uit alder nood, een koninkrijk gegeven in Israël zeer groot.
Na 't zuur zal ik ontvangen van God, mijn Heer, het zoet, daar na zo doet verlangen mijn vorstelijk gemoed: welk is, dat ik mag sterven met ere in het veld, een eeuwig rijk verwerven als een getrouwen held.
Niet doet mij meer erbarmen in mijnen wederspoed dan dat men ziet verarmen des Konings landen goed. Dat u de Spanjaards krenken, o edel Neerland zoet, als ik daaraan gedenke, mijn edel hart dat bloedt.
Als een prins opgezeten met mijner heireskracht, van den tiran vermeten heb ik den slag verwacht, die, bij Maastricht begraven, bevreesde mijn geweld; mijn ruiters zag men draven zeer moedig in dat veld.
Zo het den wil des Heren op dien tijd had geweest, had ik geern willen keren van u dit zwaar tempeest. Maar de Heer van hierboven, die alle ding regeert, die men altijd moet loven, en heeft het niet begeerd.
Zeer christlijk was gedreven mijn prinselijk gemoed, standvastig is gebleven mijn hart in tegenspoed. Den Heer heb ik gebeden uit mijnes harten grond, dat Hij mijn zaak wil redden, mijn onschuld maken kond.
Oorlof mijn arme schapen die zijt in groten nood, uw herder zal niet slapen, al zijt gij nu verstrooid. Tot God wilt u begeven, zijn heilzaam woord neemt aan, als vrome christen leven, 't zal hier haast zijn gedaan.
Voor God wil ik belijden en Zijner groten macht, dat ik tot genen tijden den Koning heb veracht, dan dat ik God den Heere, der hoogsten Majesteit, heb moeten obediëren in den gerechtigheid.
Ik sta met mijn open mond vol geluk te wachten tot iemand het eruit pakt wil je het geluk uit mijn keel pakken zodat ik er niet langer over struikel tijdens het praten misschien zou je kunnen luisteren op de kruk bij mijn knie kunnen zitten zeggen dat je iets leuks gaat doen dit weekend dat je van alles van plan bent en vragen of ik daar de uitvoering van wil worden misschien kun je mijn hand vasthouden als we nog eens samen voor een winkelruit ons af staan te vragen hoeveel de papieren vogel kost of zou je je wang in het kuiltje van mijn schouderblad kunnen leggen tijdens het strijkorkest zoals een egel die zich met het zachte stukje van zijn bestaan terugtrekt in de schaduw van twee struiken in juli en meer nog dan dit zou je de luidspreker uit mij handen kunnen trekken als ik weer eens op blote voeten sta te stampen met al het goede uit een dag op mijn lippen zou je kunnen zeggen stil maar ook als je fluistert wordt er naar je geluisterd misschien zeg ik is er niemand die wil horen wat je zegt omdat je aan mensen niet iets kunt hangen zoals jij doet enkel rond kunt hangen in de zweetlucht van je jeugd terwijl er nergens iemand klaarstaat met een zonnige waterspuit nee je moet zelf door de zomersproeier lopen in je mickey mouse-zwempak of veertien jaar later in je supermarktschort en als men vraagt waarom schrijf je in hemelsnaam nog gedichten antwoord dan omdat mensen niet onder mijn tong blijven liggen omdat je gedichten stil kunt laten staan als een luisterend oor tegen je schokkende borstkas omdat poëzie aan je ribben is gaan rusten en een verband heeft aangelegd met jouw verhaal.
Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan, rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder staan; en in de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een grootsch verband. de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord, en in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord.
Je zoenen zijn zoeter dan zoeter dan honing en ik vind je mooier en liever, liever en aardiger nog dan de koning. We gaan samen liggen een eind hier vandaan we maken van takken van takken en blaadjes een vloer en een dak, dat was onze woning, of ik was het tuintje en jij was de tent daar gingen wij wonen en blijven en horen o rep je mijn liefje ik heb je zo graag nu of nooit samen slapen want we zijn er alleen maar vandaag.
Ik droomde, dat ik langzaam leefde... langzamer dan de oudste steen. Het was verschrikkelijk: om mij heen schoot alles op, schokte of beefde, wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee de bomen zich uit de aarde wrongen terwijl ze hees en hortend zongen; terwijl de jaargetijden vlogen verkleurende als regenbogen... Ik zag de tremor van de zee, zijn zwellen en weer haastig slinken, zoals een grote keel kan drinken. En dag en nacht van korte duur vlammen en doven: flakkrend vuur. - De wanhoop en welsprekendheid in de gebaren van de dingen, die anders star zijn; en hun dringen, hun ademloze, wrede strijd... Hoe kón ik dat niet eerder weten, niet beter zien in vroeger tijd? Hoe moet ik het weer ooit vergeten?
RUIMTE
Ik droomde dat ik pijlsnel leefde, twaalf maal sneller dan het licht – het was fantastisch. Om mij heen stond alles stil, voorgoed bevroren in volkomen relativiteit. Het voelde als onsterfelijkheid; ik zag planeten in hun baan bevriezen en kometen vaart verliezen, slakkensporen uit hun staarten, hoe het zonlicht aarde maakte als een straal van vallend water. Later, toen ik het heelal in elke richting had doorkruist op de trilling van een snaar en wetenschap en wichelaars tot waanzin had gedreven met een schier oneindig leven dat voor hen geen uur besloeg, wist ik de warme lentedag waarop ik pas geboren was nog lang genoeg voor 100.000 jaar.
Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden, worden weer buren. Een minuut of tien dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken, mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd - laat mij daar midden uit de oneindigheid een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
we hebben tijd stotter maar zoveel je wilt ik wacht wel we hebben tijd jij bent van de ruimte ik ben van de afgrond ik vraag niet door jij vraagt niet verder want we weten we hebben tijd ik wil met je zien ik wil met je horen de sterren moeten niet zo ongeduldig zijn en het koor van de orka's kan beter nog wat repeteren al je kennis maakt je mooi mijn stomheid doet hetzelfde jij houdt van het niets en ik houd van het alles
De kantinebeheerder dwong mij als voorlezer van de getallen van de bingo in het verzorgingshuis van mijn moeder op te treden.
De getallen moest ik allemaal twee keer uitspreken: deze voorwaarde bleek een zwaarbevochten overwinning van het Vergeetkamp.
Het Bijdepinkenkamp vond dan weer dat het allemaal wel wat vlugger mocht. Gaandeweg ontstond de neiging om aan sommige getallen een kleine uitleg mee te geven, neem bijvoorbeeld 1 is maar alleen 2 fijn samen 3 is heilig 4 Renault (oud model) 5 is een schijf 6 maar net voldoende 7 is geluk 8 voor altijd 9 is verlegen wie niet weg is is gezien.
Opnieuw verdeelde de zaal zich, nu in twee nieuwe kampen. Het kamp van de mensen die weten dat ze hier hun tijd stukslaan en het kamp van de mensen van stel je niet aan.
Je kon als hoofdprijs een wasteiltje met een paar producten van de Action erin winnen. Van dat spul dat niemand wil hebben maar toch koopt. Een van de winnaars liet de helft van haar pakket bestaande uit een drinkbeker met een zakje snoep erin op de winnaarstafel achter. Kon het niet laten. Zit je dan, met je drinkbeker.
Ze nam de snoepjes wèl mee naar huis. Misschien komt er straks iemand langs om te trakteren.
Zei ze hadden we nieuwe ontferming besteld wij, ze zouden die brengen, de nieuwe ontferming, op vrijdag. Zeggen ze vrijdag kan het op zaterdag. Zeggen we ja, maar dan wel in de morgen. Zeggen ze gaat niet, dat gaat niet, de morgen. Zegt mijn man goed, dan kom ik die zelf halen, zaterdag dan in de morgen, dat kan? Ja dat kan, zeggen ze. Komt hij daar, zaterdag, nergens ontferming. Zegt hij hoezo niet, die zou er toch wezen? Nee nee, die is er niet, komt u maar vrijdag. Zegt hij wat vrijdag, ik moet die meteen. Zeggen ze gaat niet, de is nog niet binnen. Zegt hij u zei toch dat die er nu was? Zeiden ze moeten we zeggen van niet dan, wilt u dat horen, van zeggen van niet?
Dood is een woord dat niet hoort, het is door en door doof en zo zwart als een gat in de taal en het vriest het vriest aan mij vast Kus mij dan, liefkoos mij los, dat ik leef, want ik leef pas waar je mijn dood hebt ontdooid.
Alsof ook bij jou de herinnering er niet als sneeuw uitziet, sneeuwend omlaag valt op alles, en alles vervormt.
Een gedachte aan ons daalt over het vroeger zo zonnige landschap. Die tweemaal zachtglooiende heuvels, ginds, in de bocht, bij die palmen, dat zijn onze personen.
Zij liggen daar goed op het strand. Boeken van ijs, sigaretten van sneeuw, twee overgebleven toeristen in de verleiding van ijsland, geblakerd in licht van kristal.
Zo vergeten wij ons en vallen, wit en geluidloos, over alles van eerdere tijden; wij dwarrelen, zwevend en dansend, over het wit van iets niet.
Omdat ik zoveel mogelijk boeken op mijn bed heb gelegd lig ik vanavond op de grond. Een zangeres zingt dat het niemand iets kan schelen of je wel of niet naar het feestje gaat. Ik vraag me af of het iemand uitmaakt wanneer ik mijn ontbijt koop: straks
of morgenvroeg. Soms zou ik mijn leven in dienst van een balsport willen stellen. Op tijd ontbijten, sporten en elke avond vroeg naar bed. Ik zou een journalist zwetend en hijgend te woord staan, zo onverstaanbaar mogelijk zeggen
dat je het uiteindelijk hier voor doet. Diep van binnen weet ik dat ze mijn leven niet zullen verfilmen, dat mijn stem als natte sneeuw op straat valt, nooit langer dan een nacht blijft liggen.
Buiten is het glad en koud. Piepende machines strooien zout op de wegen, plassen kleuren rood en blauw. Ik sta op, leg de boeken in de kast en houd me vast aan de gedachte dat mijn tapijt nog nooit verschoven is.
Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, De in kaden vastgeklonken waterkant, De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Het leven houdt zijn wonderen verborgen Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
Dit heb ik bij mijzelve overdacht, Verregend, op een miezerige morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.
Waar waren de dagen van Bonifacius, dacht ik. De dagen dat hij in Dokkum een kopje kleiner gemaakt werd, vroeg de vriendin van de laatste jaren, het laatste in bed –
nee, nee, de dagen van strafwerk en herfst, de doodstille morgens, kwart over acht, slenterend onder kastanjebomen, althans, zo staan ze in mijn herinnering, langs de verdomde Kromme en Nieuwe Gracht; lyceum over het water vol thema’s en algebra, Tacitus, Plato, stemmen van leraren, geur van schoolbord, de geur van het ene meisje – en onvoldoendes voor alles en iedereen.
In de winter de ijsbaan aan de Johannapolder. De ijsbaan, vroeg ze, waar Schenk z’n records reed? Nee, nee, de dagen van Friese schaatsen, toen niemand kon rijden, behalve het ene meisje, dat ook met de knappere jongen uit de nog hogere klas voor me uitliep; en had ik soms iemand om uit te leggen dat je nu net zo goed dood kon?
En ’s avonds, twee vrienden, gedichten onder de arm, op weg naar het Paushuis. Een voetreis naar Rome? vroeg ze. Nee nee, de gracht waar Marsman gewoond had, en later reed ik dan langs het huis van het meisje, haar kamer bleef donker, en onvoldoendes voor alles en iedereen.
Kom terug uit die stad. Ben je zielig? vroeg ze. Nee nee, ja ja, maar ik weet bijna alles: de kamer van Marsman, Tacitus, schaatsen, waarom iedereen iedereen alleen heeft gelaten, en dat ik op avonden zonder jou dat meisje weer hoorde praten –
En later keek ze me aan, de vrouw van vandaag, en al bijna gisteren, en ik zag wel wat er ontbrak: haar ogen gaven me onvoldoende. Vluchten dus, net als toen, gepakt en gezakt.
Allen, die hier tesamen zijn, de levenden, de doden, de handbreed, die ons scheidt, is klein, wij zijn tesamen ontboden voor het gericht ...
Gedenk de liefste, die hier ligt, de broeder, vrind of vader, maar gun Uw ogen wijder zicht, aanzie het land en alle mens tegader, hoor dit bericht:
Wij staan tesaam voor het gericht voor goed of kwaad te kiezen, een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.
Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord, staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord, dus keek ik er met verwondering naar: Ben Ali Libi. Goochelaar.
Met een lach en een smoes en een goocheldoos en een alibi dat-ie zorgvuldig koos, scharrelde hij de kost bij elkaar: Ben Ali Libi, de goochelaar.
Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost dat Nederland nodig moest worden verlost van het wereldwijd joods-bolsjewistisch gevaar. Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.
Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt, kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt. Er stond al een overvalwagen klaar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
In 't concentratiekamp heeft hij misschien zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien met een lach en een smoes, een misleidend gebaar, Ben Ali Libi, de goochelaar.
En altijd als ik een schreeuwer zie met een alternatief voor de democratie, denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar voor Ben Ali Libi, de goochelaar.
Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel, hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.
Ik sta voor de verte. Hij is groot, maar ook heel klein en nietszeggend. Het is nog maar één stap.
Hij kijkt mij aan. Zijn glimmende, oogverblindende onverbiddelijkheid, zijn kille, stilzwijgende onbeduidendheid. 'Nee!' Ik draai me om en hol zo snel als ik kan weg. Terug, terug Achtervolgt hij mij?
'Zeg, mier, ben jij niet onlangs in de verte geweest?' 'Ach ja, wat zal ik zeggen, de verte, daar noem je zo wat...' De oude mier. De vertrouwende, schouderophalende mier. De pijnlijk mislukte mier.
Aan het roer dien avond stond het hart en scheepte maan en bossen in zich in en zeilend over spiegeling van al wat het geleden had voer het met wind en schemering om boeg en tuig voorbij de laatste stad.
over het krakende ei dwaalt een hemelse bode op zoek naar zijn antipode en dat zijt gij
mogelijk dat men op zulk een kleine schaal niet denken kan het maakt nijdig of men is verveeld dus veel te veilig dan is men verloren voor de poëzie
u rest slechts een troost ligt gij op sterven gij verveelt u dan ook niet en plotseling kan dan pop en bal laat herinnerd u laten weten dit was ik en dat was het heelal