Home | Podcast
Podcast Luisteren (PodNL)

Koinonia Bijbelstudie Live

Onder naam KOINONIA BIJBELSTUDIE verzorg ik regelmatig bijbelstudies en beschouwingen over het kerkelijke leven. Soli Deo Gloria!

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Jun 14 2026 | 00:08:26

Wanneer wij luisteren naar het verhaal van de verspieders, horen wij een verhaal dat de Tora niet één keer vertelt, maar twee keer. En de rabbijnen zeggen: wanneer de Tora iets herhaalt, is het niet omdat wij het vergeten zijn, maar omdat wij het nog niet diep genoeg hebben verstaan. In Numeri horen wij het verhaal zoals het gebeurde. De Eeuwige zegt: “Stuur voor jezelf mannen.” Rashi zegt: dit is geen gebod, maar een concessie. God zegt: als jullie niet kunnen vertrouwen zonder te zien, ga dan maar zien. Bamidbar Rabba vergelijkt dit met een koning die zijn zoon een geschenk wil geven, maar de zoon zegt: “Laat mij eerst kijken of het wel goed is.” De koning antwoordt: “Ik weet dat je het niet aankunt, maar als je het wilt, ga dan.” De midrasj zegt: zo was het met Israël. God wist dat de missie hen zou breken, maar Hij liet hen gaan omdat vertrouwen niet kan worden opgedrongen.En dan gaan de twaalf verspieders. De midrasj vertelt dat zij bij Chevron kwamen, waar de reuzen woonden, en dat God hen juist daarheen leidde om hen te laten zien dat zelfs de grootste vijanden sterfelijk zijn. Maar de verspieders zagen niet wat God wilde dat zij zagen. Bamidbar Rabba zegt: “Zij zagen, maar zij zagen niet.” Zij zagen de reuzen, maar niet de God die hen uit Egypte had geleid. Zij zagen de muren, maar niet de wolk die hen omhulde. Zij zagen de vrucht van het land, maar niet de vrucht van de belofte.De midrasj vertelt zelfs dat God de bewoners van het land op dat moment in rouw dompelde, zodat de verspieders ongezien konden rondtrekken. Maar de verspieders interpreteerden dit verkeerd en zeiden: “Het is een land dat zijn bewoners verslindt.” De rabbijnen zeggen: dit is de tragedie van angst — zij verdraait zelfs de tekenen van bescherming tot tekenen van gevaar.En dan komt die ene zin: “Wij kunnen niet optrekken, want zij zijn sterker dan wij.” Rashi zegt: lees het ook als: sterker dan Hij. De midrasj hoort hierin een fluistering van ongeloof, een moment waarop de angst zo groot wordt dat zelfs de herinnering aan de wonderen vervaagt.Maar dan horen wij het verhaal opnieuw in Deuteronomium. Mozes staat op de drempel van het land en kijkt terug. En hij vertelt het anders. Hij zegt niet: “God zei: stuur mannen.” Hij zegt: “U kwam naar mij toe en zei: laten wij mannen uitsturen.” De midrasj in Sifrei Devarim zegt dat Mozes hiermee de wortel van de zonde blootlegt: het was niet de missie die verkeerd was, maar het hart dat haar voortbracht. De angst was er al vóór de verspieders gingen. De mislukking begon niet bij hun verslag, maar bij het verlangen om zekerheid te hebben voordat men kon vertrouwen.Mozes zegt zelfs: “Het voorstel beviel mij.” De rabbijnen vragen: hoe kon Mozes dit goed vinden? En zij antwoorden: omdat zelfs de grootste leider soms meegaat in de angst van het volk. De midrasj zegt: “Mozes werd meegesleept door hun twijfel, zoals een mens wordt meegesleept door een sterke stroom.” Het is een pijnlijke, maar eerlijke erkenning: leiderschap is niet immuun voor de angst van de gemeenschap.Er is een verhaal uit onze eigen traditie dat dit pijnlijk en eerlijk laat zien. Aan het einde van zijn leven stond Menno Simons voor een keuze die hem zijn hele bestaan had gevormd: de eenheid van de gemeente bewaren, of weerstand bieden aan een besluit waarvan hij diep van binnen wist dat het te ver ging.De meniste gemeenten waren in die tijd verscheurd door angst. Angst voor verwatering, angst voor afwijking, angst dat de jonge beweging uiteen zou vallen. En in die angst werd de ban — de meiding — steeds strenger uitgelegd. Niet alleen als tuchtmiddel, maar als totale sociale uitsluiting. Een zware, harde vorm die het leven van mensen brak.Menno zelf had deze radicale vorm nooit gewild. Zijn eigen geschriften tonen een mildere, pastorale visie. Maar de gemeenschap om hem heen dreef in een andere richting. De druk was groot. De leiders om hem heen waren bang dat elke nuance, elke verzachting, elke pastorale uitzondering de gemeente zou splijten. En Menno, moe van jaren van strijd, voelde die angst in zijn eigen hart binnendringen.De kronieken vertellen dat hij uiteindelijk instemde met een zware ban die hij eigenlijk niet kon dragen. Hij deed het, zo zei hij later, “om de vrede van de gemeente te bewaren.” Maar het was een vrede die hem innerlijk brak. Want hij wist dat deze uitleg van de ban verder ging dan de geest van Christus die hij zijn hele leven had willen volgen.Later, toen de storm was gaan liggen, sprak hij openlijk zijn spijt uit. Hij zei dat hij had toegegeven aan de druk van de gemeenschap, dat hij had gehandeld uit zorg voor de eenheid, maar dat hij daarmee iets had toegestaan wat zijn eigen geweten niet volledig kon dragen.En de traditie bewaart dat moment niet om Menno te veroordelen, maar om ons iets te leren: zelfs de grootste leiders, zelfs de zachtste herders, zelfs de meest standvastige getuigen kunnen worden meegesleept door de angst van de gemeenschap. Leiderschap staat niet boven de angst; het staat e…

May 03 2026 | 00:05:06

Er zijn van die momenten in de Schrift waarop je merkt dat God niet begint bij het centrum, maar bij de rand. Niet bij de vanzelfsprekenden, maar bij de vreemdelingen. Niet bij degenen die al binnen zijn, maar bij degenen die onderweg zijn, zoekend, tastend, luisterend naar een stem die hen roept. Wanneer we nadenken over toetreding tot de gemeente, over wat het betekent om deel te worden van het volk van God, dan komen drie verhalen naar voren die als een drieluik naast elkaar kunnen staan: de roeping van Abraham, de keuze van Ruth en de doop van de Ethiopiër. Drie mensen die niet passen in de categorie “wij horen hier van nature thuis”, maar die juist laten zien dat het volk van God bestaat uit mensen die vreemdeling zijn — en die juist daarom door God worden binnengehaald. Abraham is de eerste. Hij wordt geroepen om weg te gaan uit zijn land, zijn familie, zijn vertrouwde wereld. Hij wordt geroepen om vreemdeling te worden. Zijn identiteit wordt niet langer bepaald door waar hij vandaan komt, maar door de stem die hem roept. Hij weet niet waar hij uitkomt, maar hij weet Wie hem leidt. En zo wordt hij de vader van een volk dat zelf voortdurend vreemdeling zal zijn: in Kanaän, in Egypte, in de woestijn, in ballingschap. De wortel van het geloof ligt niet in bezit, maar in beweging. Niet in zekerheid, maar in vertrouwen. Niet in grenzen, maar in roeping. Abraham is de eerste vreemdeling in een lange rij van mensen die God niet roept omdat ze ergens thuishoren, maar omdat Hij hen een thuis wil geven. Ruth laat zien dat vreemdelingschap niet alleen iets is wat je overkomt, maar ook iets wat je kiest. Zij is een Moabitische vrouw, iemand die volgens de regels en tradities van Israël nooit vanzelfsprekend zou worden opgenomen. En toch spreekt zij woorden die misschien wel de meest radicale belijdenis van toetreding zijn in de hele Bijbel: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Zij kiest ervoor om vreemdeling te zijn, om haar eigen land en goden achter te laten, om zich te verbinden aan een volk dat haar niet vanzelfsprekend zal ontvangen. En juist zij wordt opgenomen in de lijn van David, en uiteindelijk in de lijn van Jezus. De vreemdeling wordt drager van de belofte. De buitenstaander wordt binnenste. De rand wordt centrum. En dan is er de Ethiopiër in Handelingen. Een man van aanzien, maar ook iemand die aan de rand staat: geografisch, etnisch, religieus en zelfs lichamelijk. Hij leest Jesaja, maar begrijpt het niet. Hij zoekt, maar vindt de weg niet. Totdat Filippus naast hem gaat zitten. Niet boven hem, niet tegenover hem, maar naast hem. En in dat eenvoudige gebaar van nabijheid wordt het evangelie geopend. De Ethiopiër stelt de vraag die elke vreemdeling stelt wanneer hij de drempel van de gemeente nadert: wat verhindert mij? En het antwoord van de kerk is het antwoord van het evangelie zelf: niets. De weg is open. De vreemdeling wordt broeder. En hij gaat zijn weg met blijdschap. Wanneer je deze drie verhalen samen leest, ontstaat een beeld van de gemeente dat haaks staat op elke vorm van geslotenheid. De gemeente is geen erfgoed dat moet worden bewaakt, maar een huis dat voortdurend wordt uitgebreid. Geen vesting, maar een tent. Geen etnische of culturele eenheid, maar een gemeenschap van mensen die door God zijn geroepen, door liefde zijn getrokken en door genade zijn ontvangen. De identiteit van de gemeente ligt niet in wie wij waren, maar in wie wij worden door de roepstem van God. Wij zijn geen gemeenschap van mensen die er vanzelfsprekend bij horen, maar van mensen die onderweg zijn, die vreemdeling zijn, die geroepen zijn om anderen te ontvangen zoals wij zelf ontvangen zijn. En misschien is dat wel de diepste waarheid van het evangelie: dat God niet begint bij de mensen die denken dat ze binnen zijn, maar bij de mensen die weten dat ze buiten staan. Dat Hij niet zoekt naar zekerheid, maar naar openheid. Niet naar afkomst, maar naar verlangen. Niet naar bezit, maar naar vertrouwen. Abraham, Ruth en de Ethiopiër laten zien dat toetreding tot het volk van God geen administratieve handeling is, maar een geestelijke geboorte. Een nieuwe identiteit die niet wordt bepaald door waar je vandaan komt, maar door Wie je roept. En daarom is de gemeente een gemeenschap van vreemdelingen. Mensen die weten dat ze niet leven van hun eigen vanzelfsprekendheid, maar van Gods genade. Mensen die geroepen zijn om anderen te ontvangen zoals zij zelf ontvangen zijn. Mensen die weten dat het evangelie begint aan de rand, bij de vreemdeling, bij degene die vraagt: wat verhindert mij? En dat het antwoord van de kerk altijd moet zijn: niets. Want de God die Abraham riep, de God die Ruth ontving, de God die de Ethiopiër doopte, is dezelfde God die ons roept om een gemeenschap te zijn waarin vreemdelingen thuis mogen komen.

Become a supporter of this podcast:

Apr 13 2026 | 00:04:26

The path of stars is opening to me;
my heart seeks You, O Light.
I lift my eyes toward the light
that You now let me see.

We often choose our own way
and lose the fire within.
But You call softly to my soul,
back to love, to light, to rest.

In me are dust and eternity,
a quiet flame from You.
You waken the light that dwells in me and
call me by my name.

So choose the path that love prepares,
that gentle path that forgives.
Guard my heart from every dark,
from all that draws me from You.

Who does not pardon loses the soul
and turns to stone in night.
But those who choose the light
are free and never walk alone.

O Lord, illumine my final step;
stay always close to me.
Lead me upon the way of grace
and make my heart anew.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Mar 22 2026 | 00:21:59

Preek van 22/3 in de Vermaning in Schagen

In deze overdenking staat één vraag centraal: waar komt onze onrust vandaan, en hoe vinden we rust bij God? Vanuit Augustinus’ beroemde zin — “Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt bij U, o Heer” — wordt onderzocht hoe diep en veelzijdig menselijke onrust eigenlijk is. Niet alleen zorgen om gezondheid, familie of wereldproblemen, maar ook innerlijke verdeeldheid, zelftwijfel en geloofsverwarring.

De preek laat zien dat ons verlangen naar heelheid en compleetheid vaak botst met de werkelijkheid van een incompleet leven. Psalm 23 wordt daarbij een gids: rust is geen prestatie, maar een geschenk van de Herder die ons door duisternis heen draagt. “Mij ontbreekt niets” betekent niet dat we alles hebben, maar dat God niet ontbreekt.Een belangrijk thema is de stilte van God. Die stilte voelt soms als afwezigheid, maar wordt — met Heschel — juist geduid als de manier waarop God spreekt: een nabijheid zonder woorden, zoals iemand die zwijgend naast je zit aan een ziekbed. De sabbat wordt zo een oefening in ontvankelijkheid: stoppen met spreken, zodat Gods stille aanwezigheid hoorbaar wordt.

Het verhaal van Elia op de Horeb vormt de climax: God is niet in het spektakel van storm, vuur en aardbeving, maar in het zachte, nauwelijks hoorbare fluisteren van de avondwind. Dat fluisteren wordt een beeld voor Gods manier van nabij-zijn: niet overweldigend, maar uitnodigend, richtinggevend, troostend.De weg naar rust loopt via overgave en vertrouwen.

Door de stemmen van de wereld even stil te zetten, ontstaat ruimte om de zachte stem van de Vader te horen — de stem die zegt dat we niet alleen zijn, dat Hij meegaat, en dat ons hart uiteindelijk rust mag vinden in Hem.


Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Mar 02 2026 | 00:11:36

In deze aflevering onderzoeken we een radicaal andere kijk op Jezus: niet als de hemelse God-mens die vanaf het begin wist wat zijn missie was, maar als een Joodse leraar die bewust probeerde Messias te worden—en daarin tragisch faalde. Matteüs 4:1–11 vormt het vertrekpunt. In de drie verzoekingen kiest Jezus heel bewust tegen de populaire messiaanse verwachtingen van zijn tijd: hij weigert de rol van wonderbaarlijke voorziener, van spectaculaire tempelprofeet en van politieke bevrijder. Daarmee kiest hij een unieke, nederige en profetische weg, geïnspireerd door Jesaja’s lijdende dienaar.

Door zijn leven heen probeert Jezus deze zelfgekozen roeping te vervullen. Hij handelt symbolisch, grijpt terug op profetische beelden en probeert zo de Schrift in daden om te zetten. Maar zijn keuze brengt hem steeds verder in conflict met de menigten, de leiders en zelfs zijn eigen leerlingen. Uiteindelijk sterft hij aan het kruis, roepend: “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”—een moment dat laat zien dat God zijn messiaanse aanspraak niet bevestigt.

Na zijn dood staan zijn volgelingen voor een probleem: hoe kan iemand Messias zijn als hij niet heeft gedaan wat de Messias moet doen? De oplossing wordt de verwachting van zijn terugkeer. Alles wat in zijn leven niet vervuld werd, wordt verschoven naar de toekomst. Deze strategie past in een breder joods patroon: ook rond figuren als Theudas, Judas de Galileeër en vooral Bar Kochba ontwikkelden zich pogingen om mislukte messiaanse claims theologisch te herinterpreteren.

De rabbijnse traditie verzet zich echter fel tegen de latere christelijke Christus-theologie, die Jezus verheft tot pre-existente God-mens en zijn nederlaag tot kosmische overwinning maakt. Voor de rabbijnen blijft de Messias een mens, geen goddelijke figuur, en moet messiaanschap worden beoordeeld op historische daden, niet op toekomstige beloften.Zo ontstaat een diepe spanning tussen twee beelden van Jezus: de historische, tragische mens die probeerde Messias te zijn maar door God niet werd bevestigd, en de Christus van de kerk, de hemelse verlosser die eens en voor altijd de zonde heeft weggenomen. In die spanning ligt een fascinerend verhaal over roeping, mislukking, herinterpretatie en de kracht van religieuze verbeelding.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Feb 20 2026 | 00:09:51

Het onderscheid tussen lo tit’aveh en lo tachmod vormt een van de meest subtiele morele structuren in de Thora. De rabbijnse traditie leest deze twee termen niet als synoniemen, maar als twee stadia in een psychologische keten: het innerlijke verlangen en het daaropvolgende plan om het object van dat verlangen te verwerven. De Sefer HaChinuch maakt dit onderscheid scherp: lo tit’aveh (Deut. 5:18) verbiedt het koesteren van verlangen in het hart, terwijl lo tachmod (Ex. 20:14) het uitvoeren van een plan verbiedt om het begeerde object te verkrijgen, zelfs wanneer dat via ogenschijnlijk legitieme middelen gebeurt.
Het laatste gebod van de Decaloog vormt een opmerkelijke verschuiving van het uiterlijke naar het innerlijke. Waar de voorafgaande geboden handelen over daden die zichtbaar zijn voor de wereld, richt het verbod op begeren zich op een beweging van het hart. De Sefer HaChinuch maakt van deze verschuiving een verfijnde juridische en morele architectuur door lo tachmod en lo tit’aveh niet als één, maar als twee afzonderlijke verboden te tellen. Daarmee wordt het innerlijke leven van de mens niet slechts moreel beoordeeld, maar halachisch gearticuleerd.
Exodus spreekt over lo tachmod, het begeren van het huis, de vrouw, de dienaren en de dieren van de naaste. Deuteronomium herhaalt het gebod, maar met een andere term: lo tit’aveh, het verlangen. De rabbijnse traditie heeft deze dubbele formulering nooit als stilistische variatie gelezen, maar als een intentionele differentiatie. De Sefer HaChinuch volgt deze lijn en stelt dat lo tit’aveh het koesteren van verlangen in het hart verbiedt, terwijl lo tachmod het uitvoeren van een plan verbiedt om het object van dat verlangen te verwerven. Het innerlijke verlangen en de uiterlijke daad zijn dus niet twee graden van hetzelfde kwaad, maar twee afzonderlijke overtredingen die elk op zichzelf staan. Het verlangen leidt tot het begeren, maar de Thora verbiedt beide stadia onafhankelijk van elkaar.
De klassieke commentaren ondersteunen deze tweedeling, maar elk vanuit een eigen hermeneutische gevoeligheid. Rashi leest lo tachmod als een verbod dat pas wordt overtreden wanneer men daadwerkelijk handelt om het begeerde object te verkrijgen. Voor hem is het niet de gedachte die verboden is, maar de poging om het object te verwerven, zelfs wanneer men daarvoor betaalt, zolang de eigenaar onder druk werd gezet. Rashi’s lezing sluit nauw aan bij de halachische traditie die Deuteronomium 7:25 als bewijs gebruikt: begeren wordt pas overtreden wanneer men het object “neemt”, zelfs wanneer men het via een schijnbaar legitieme transactie verkrijgt.
Sforno legt de nadruk op de innerlijke gerichtheid van het verlangen. Voor hem is lo tit’aveh geen verbod op spontane impulsen, maar op het cultiveren van een verlangen dat zich richt op wat niet toebehoort. Verlangen is voor Sforno geen reflex, maar een keuze: een mens kan zijn hart richten op wat hem toekomt, of op wat hem niet toebehoort. Lo tit’aveh is in zijn lezing een oproep tot innerlijke vrijheid, een discipline van het hart die voorkomt dat de mens zich laat meeslepen door de aantrekkingskracht van het bezit van de ander.

Ramban biedt een synthese die zowel psychologisch als theologisch is. Hij stelt dat lo tachmod niet slechts een verbod is op het nemen van bezit, maar op het ontwikkelen van een verlangen dat zo sterk is dat het tot actie leidt. Voor Ramban is het verboden verlangen niet de vluchtige gedachte, maar het verlangen dat men vasthoudt, cultiveert en omzet in een plan. Zijn lezing maakt duidelijk waarom de Thora beide stadia afzonderlijk verbiedt: het verlangen is de wortel, de daad de vrucht. Door beide te verbieden, snijdt de Thora het kwaad af bij de bron én bij de uitwerking.
Ibn Ezra gaat nog verder en stelt de vraag die elke moderne lezer stelt: hoe kan de Thora verlangen verbieden? Verlangen lijkt immers een spontane beweging van de menselijke psyche. Zijn antwoord is even eenvoudig als diepzinnig: een mens begeert slechts wat hij als bereikbaar beschouwt. Een boer kan de vrouw van zijn buurman begeren, maar nooit de prinses van het koninkrijk. De Thora gebiedt daarom niet het onmogelijk maken van verlangen, maar het herstructureren van de perceptie van wat “bereikbaar” is. Wanneer men werkelijk gelooft dat God de bezittingen van ieder mens heeft toegewezen, wordt het bezit van de ander even ver verwijderd als de prinses van de boer. Het verbod is dus niet een onderdrukking van verlangen, maar een heroriëntatie van het bewustzijn.
Wanneer men deze rabbijnse inzichten toepast op Jezus’ uitspraak in Mattheüs 5:28 — “Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd” — wordt duidelijk dat hij niet spreekt over een vluchtige gedachte, maar over een intentionele blik. De structuur van zijn uitspraak is identiek aan de structuur van lo tit’aveh: het gaat om het richten van het verlangen op een object dat jou niet toebehoort. Je…

Feb 09 2026 | 00:05:32

In deze aflevering van Koinonia Bijbelstudie onderzoek ik de vraag of Paulus zelf verantwoordelijk is voor de latere anti‑joodse interpretaties van zijn brieven, of dat de ontsporing vooral te wijten is aan hoe de kerk hem eeuwenlang heeft gelezen. De auteur laat zien dat Paulus in zijn eigen tijd een Joodse denker bleef, trouw aan de Thora en vol liefde voor zijn volk. Zijn scherpe taal over “wet” en “genade” was bedoeld om heidenen toegang te geven tot de God van Israël, niet om het Jodendom af te wijzen. Maar toen de kerk haar Joodse wortels verloor, werden Paulus’ woorden uit hun context gehaald en gebruikt om een tegenstelling tussen kerk en Israël te creëren die hij nooit bedoeld had. Zo ontstond een Paulusbeeld dat haaks staat op zijn eigen intenties. De kern: niet Paulus ontspoorde, maar de geschiedenis die zijn woorden losmaakte van hun Joodse bedding.


Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

This episode includes AI-generated content.

Feb 08 2026 | 00:23:19

De preek opent met het gedicht De laatste dingen van Bertus Aafjes, waarin de dichter de menselijke sterfelijkheid beschrijft als een eenzame, verwarrende weg vol verlies van herinnering, richting en orde. De predikant herkent de eerlijkheid van dit gedicht, maar benadrukt dat het, zonder meer, een somber en verlammend mensbeeld geeft: de mens als blinde vink, zingend in het donker, zonder hoop of houvast.

Daartegenover plaatst hij Psalm 90, die dezelfde menselijke kwetsbaarheid onder ogen ziet, maar haar in een heel ander licht zet. De psalm begint met het woord ma’on — “woning” of “schuilplaats” — en volgens rabbijn Hirsch is dit het sleutelwoord van de hele psalm. God is niet alleen een toevlucht in nood, maar een blijvende woonplaats: de plek waar we vandaan komen, waar we gedragen worden en waar we uiteindelijk naar terugkeren. In plaats van vergetelheid biedt Psalm 90 geborgenheid.

Het tweede Hebreeuwse woord is enosj, “sterfelijk mens”. De psalm erkent onze broosheid, maar zegt tegelijk dat het God is die ons tot stof doet terugkeren. Dat betekent: ons leven is niet zinloos of stuurloos, maar staat in Gods hand. Waar Aafjes alleen de leegte ziet, wijst de psalm op Degene die achter onze sterfelijkheid staat.

Het derde woord is chesed, Gods trouwe liefde. Elke nieuwe ochtend is een teken van die liefde. Waar Aafjes zegt dat wij vergeten worden, zegt Psalm 90 dat God niet vergeet. Zijn liefde blijft, draagt en vernieuwt. Daardoor wordt bidden mogelijk: de mens mag zijn kwetsbaarheid tot God brengen.

Het vierde woord is limnot, “tellen”. Psalm 90 roept ons op onze dagen te tellen, niet om somber te worden, maar om wijs te leven. Tellen betekent: beseffen dat elke dag een geschenk is en vragen wat we ermee kunnen doen. Niet verlamd raken door sterfelijkheid, maar juist in actie komen, omdat onze tijd kostbaar is.

De predikant laat zien dat Aafjes en Psalm 90 het eens zijn over de realiteit van sterfelijkheid, maar dat de psalm een weg wijst die Aafjes niet ziet: de weg van gebed, vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ons leven is kort, maar niet zinloos. God is onze woning, zijn liefde draagt ons, en Hij roept ons om onze dagen te vullen met liefde, trouw en wijsheid.

De preek eindigt met het gebed van Psalm 90: “Bevestig het werk van onze handen.” Dat is de hoopvolle tegenstem tegenover Aafjes: dat wat wij doen niet vergeefs hoeft te zijn, omdat God het draagt en betekenis geeft.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Feb 01 2026 | 00:05:48

Een theologische verkenning van twee contrasterende visies op de plaats van Israël in Gods heilsplan. Willem Ouweneel benadrukt een evangelicale verwachting van Israëls toekomstige bekering tot Christus, terwijl S.U. Zuidema juist pleit voor nederigheid en het respecteren van Israëls eigen, door God gewilde weg. Deze vergelijking laat zien hoe verschillend christenen de Schrift kunnen lezen — en hoe onze manier van spreken over Israël vooral iets onthult over onze eigen houding tegenover het mysterie van Gods handelen.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Jan 20 2026 | 00:07:06

Wanneer ik terugkijk op mijn eigen weg door de christelijke tradities, zie ik hoe verschillend de visies op Israël altijd zijn geweest. In de Vergadering van Gelovigen, waar ik zelf een tijdlang verkeerde, bood de bedelingenleer nog een zekere garantie dat Israël in Gods toekomst een plaats zou houden. Men sprak over de opname van de gemeente, en daarna zou God Zijn beloften aan het aardse volk Israël gaan vervullen. Zelfs de Torah, zo zei men, zou dan weer in ere worden hersteld. Het was een toekomstbeeld, een eschatologische verwachting, maar het had tenminste nog een vorm van trouw in zich.

Daartegenover stond de gereformeerde theologie, die Israël vooral waardeerde als volk van het verleden. Het verbond, zo leerde men, was al vanaf Adam aanwezig en werd in Christus vernieuwd, maar bleef wezenlijk hetzelfde. De besnijdenis werd vervangen door de doop, de wetgeving kreeg een andere gestalte, maar de lijn bleef doorlopen. Israël had een fundament gelegd, maar de kerk had het huis gebouwd.

En dan de evangelische beweging, inclusief de Vergadering: daar zag men voor Israël alleen nog een rol in de toekomst, ná de tenhemelopneming van de christenen. Het heden van Israël, het concrete volk, de levende traditie — die bleven buiten beeld.

Niemand, werkelijk niemand, zag de betekenis van het huidige Israël.

Zelfs onder Joodse christenen heerste verdeeldheid. Sommigen schaarden zich achter de evangelische visie, anderen achter de gereformeerde. Sommigen bevestigden hun verbondenheid met Israël vooral omdat zij meenden dat er een opdracht lag om het evangelie aan Israël te brengen. Anderen probeerden evangelische gemeenten te vormen die rabbijns‑joodse elementen in de liturgie opnamen, maar dan vooral met missionaire bedoelingen. En ja, er was dialoog met de rabbijnse traditie — maar mondjesmaat, en meestal vanuit de vanzelfsprekende overtuiging dat het Nieuwe Testament superieur was.

Voor mij persoonlijk werd het anders toen ik werkelijk in aanraking kwam met de rabbijnse traditie. Toen ik Hebreeuws leerde. Toen ik de commentaren las, de Talmoed, en vooral toen ik in gesprek kwam met orthodox‑joodse leraren en vrienden. Dat heeft mijn theologische horizon blijvend veranderd.

En nu sta ik op een kruispunt. Aan de ene kant zie ik de mogelijkheid om de christelijke theologie te hervormen, te zuiveren van de Griekse filosofische lagen die haar hebben vervormd, en haar opnieuw te wortelen in de Joodse denkwijze die al in het Nieuwe Testament aanwezig is. Maar tegelijk zie ik dat de kerk van vandaag — verzwakt, uitgehold, versnipperd — zo’n reformatie niet meer kan dragen. De generatie die nog over is, is moe. De structuren zijn fragiel. De geestelijke weerstand is laag.

Aan de andere kant zie ik een weg die misschien bescheidener is, maar wel haalbaar: binnen de christelijke theologie twee dingen versterken. Ten eerste: de steun en solidariteit met Israël, niet als politiek programma, maar als theologische trouw. En ten tweede: de verrijking van de christelijke ethiek door de halachische manier van denken vruchtbaar te maken — Maimonides in plaats van Aristoteles, om het kort te zeggen. Een ethiek die niet begint bij abstracties, maar bij concrete daden, bij verantwoordelijkheid, bij het leven zelf.

Maar dan lees ik bijdragen zoals die van Steven Paas. Teksten die de breuk met het jodendom niet alleen bevestigen, maar zelfs verdiepen. Teksten die steeds polemischer worden, steeds stelliger, steeds verder verwijderd van de Joodse wortels van het evangelie. En dan zinkt mij soms de moed in de schoenen. Dan vraag ik mij af of deze christelijke boedel nog wel te redden is. Of het niet beter is om haar aan haar lot over te laten.

Want het voelt soms alsof de stemmen van Miskotte, van Zuidema, van al diegenen die de Joodse wortels van het christendom wilden eren, nooit echt gehoord zijn. Alsof de herlezing van het Nieuwe Testament door Sanders, Dunn en Nanos — die ons wilde bevrijden van eeuwen misverstaan — eenvoudigweg is weggewuifd. Alsof de theologie zich laat meeslepen door de propaganda van de dag, in plaats van door de Schrift en de traditie.

En soms lijkt het alsof sommigen vooral willen dat de kerk zich naast de islam opstelt, en zich daarom des te sterker distantieert van Israël. Alsof de oude reflexen weer opstaan. Alsof de kerk opnieuw flirt met een vorm van Marcionisme, opnieuw de Joodse wortel wil afsnijden, opnieuw de Messias losmaakt van zijn volk.

En dan denk ik aan de jaren dertig. Aan de Germaans‑christelijke beweging. Aan Arius. Aan Marcion. Aan al die momenten waarop de kerk haar eigen antisemitische kern niet onder ogen wilde zien — en daardoor bijna ten onder ging.

Ik zeg dit niet lichtvaardig: de kerk staat opnieuw op zo’n moment. Voor de derde keer in haar geschiedenis wordt zij geconfronteerd met haar eigen neiging om Israël te marginaliseren, te vergeten, te vervangen.…

Jan 11 2026 | 00:08:43

Er zijn vragen die we niet kunnen negeren, hoe vaak we ze ook proberen weg te duwen. De betekenis van Jezus' dood is zo'n vraag. Ze blijft terugkomen, omdat ze de kern raakt van wat het christelijk geloof zegt over God, mens en wereld. Misschien ook omdat woorden zoals straf, schuld en plaatsvervanging steeds minder vanzelfsprekend klinken als we ze naast de Bijbel, geschiedenis en onze eigen ervaring van God leggen.
Het is niet dat deze woorden leeg zijn geworden, maar soms verhullen ze meer dan ze onthullen. Ze passen niet meer zonder dat er iets wringt. Als je teruggaat naar de wereld van de Hebreeuwse Bijbel, valt meteen iets op dat de klassieke strafleer onder druk zet. Offers functioneren daar niet als strafmechanisme. Het dier wordt niet gestraft, de zonde wordt niet op het dier gelegd en het offer bevredigt niet Gods toorn.
De logica van Leviticus gaat over reiniging, herstel en nabijheid. Het gaat om het wegnemen van onreinheid, het herstellen van gemeenschap en het openen van een ruimte waar mens en God elkaar weer kunnen ontmoeten. Dat is de wereld waarin Jezus en Paulus leefden. Het is dan vreemd om Jezus' dood te zien als een strafmoment dat in de Hebreeuwse Bijbel nergens voorkomt.
Ook Paulus' taal wijst in een andere richting dan vaak wordt aangenomen. Het woord hilasterion in Romeinen 3 verwijst niet naar het stillen van toorn, maar naar het wegnemen van zonde en naar de plek waar God en mens elkaar weer kunnen ontmoeten. Moderne lexica, het gebruik in de Septuaginta en de Joodse liturgische traditie ondersteunen dat.
Paulus spreekt bovendien in termen van verzoening, bevrijding, rechtvaardiging en participatie in Christus. Deze woorden bewegen richting transformatie, niet strafverplaatsing. Ze passen bij een God die mensen naar zich toe wil brengen, niet bij een God die eerst genoegdoening eist voordat hij kan vergeven.
Zelfs Jesaja 53 vertelt een ander verhaal wanneer je het nauwkeurig leest. De dienaar draagt, geneest en leidt omwille van het volk, maar nergens staat dat God hem straft in plaats van het volk. De tekst spreekt over solidariteit, over het opnemen van andermans lasten en over het doorleven van onrecht.
De evangelieën vertellen het verhaal van Jezus' dood ook niet als een strafmoment dat God nodig heeft om te vergeven. Ze laten zien hoe Jezus trouw blijft tot het einde, hoe Gods Koninkrijk botst met menselijke macht, hoe liefde zichtbaar wordt in kwetsbaarheid en hoe leven sterker blijkt dan dood.
Het beeld van het paasland dat Johannes gebruikt, is veelzeggend. Het lam wordt niet gestraft, maar het beschermt en bevrijdt. Zo wordt het paasland beschreven in Exodus; het land opent een weg. De evangelieën kennen geen scène waarin God zijn toorn op Jezus uitstort. Ze vertellen eerder hoe menselijke macht en angst zich tegen hem keren en hoe God hem rechtvaardigt door hem op te wekken.
Wanneer je vervolgens luistert naar de vroegste kerk, hoor je vooral taal van genezing, bevrijding en transformatie: Christus als genezer, bevrijder, degene die de mensheid binnenleidt in Gods leven. De taal van straf verschijnt pas veel later in een andere context met andere vragen.
De vroegste christenen dachten niet in termen van een hemels-juridisch systeem dat moest worden voldaan, maar in termen van bevrijding uit slavernij, genezing van gebrokenheid en deelname aan nieuw leven.
Dit alles doet ertoe, omdat geloof alleen kan ademen wanneer het waarachtig is. Als de taal van straf wringt – historisch, moreel of pastoraal – dan is het geen verlies om haar los te laten. Het is een uitnodiging om dieper te luisteren naar de schrift, traditie en ervaring van mensen.
En dan komt een praktische vraag: hoe vieren we het avondmaal wanneer traditionele liturgische taal vaak spreekt over het offerlam dat voor onze zonden gestorven is? Hoe kunnen we deze tafel vieren zonder de substitutieve logica te herhalen die we theologisch niet langer kunnen dragen?
Misschien begint dit met beseffen dat het avondmaal nooit bedoeld was als heropvoering van een hemels strafmoment. Het is een maaltijd, geen rechtszitting. Jezus breekt brood en deelt wijn om gemeenschap te scheppen.
Hij geeft zichzelf niet als gestrafte, maar als degene die liefheeft tot het uiterste. De tafel is een plek van herinnering én tegenwoordigheid; een plek waar we proeven dat God nabij is; dat vergeving geen transactie, maar een gave is; dat gemeenschap geschonken wordt.
Misschien kunnen we de taal van het offerlam opnieuw horen als bevrijding: het paaslam in Exodus wordt niet gestraft; het beschermt en opent een weg naar vrijheid.
In die lijn kan het avondmaal een viering worden van bevrijding, reiniging en nieuw leven: een plek waar we leren dat verzoening begint bij liefde die zichzelf geeft.
Misschien is dit de weg: niet de liturgie afschaffen, maar opnieuw horen; niet woorden schrappen, maar ze laten ademen in het licht van de schrift zelf; Niet de avondmaalst…

Jan 05 2026 | 00:04:08

Er zijn momenten waarop taal zijn onschuld verliest.

Woorden die ooit bedoeld waren om iets te duiden, raken los van hun oorspronkelijke context en gaan een eigen leven leiden. Ze worden geladen, ideologisch, gevaarlijk. De geschiedenis van de christelijke omgang met Mattheüs 27:25 laat dat op pijnlijke wijze zien. De zin “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is in de loop der eeuwen verschoven van een dramatische uitspraak binnen een intern Joods conflict naar een van de meest destructieve instrumenten van christelijk antisemitisme. Niet omdat de tekst dat per se beoogde, maar omdat latere generaties hem hebben ingezet als retorisch wapen tegen een heel volk.

De ethische waarde van taal ligt echter niet in de intentie, maar in de uitwerking.

Wie de geschiedenis van het antisemitisme kent, herkent het patroon. Een tekst wordt uit zijn bedding gelicht, veralgemeniseerd, moreel verzwaard en vervolgens gebruikt om een collectief te demoniseren. De historische situatie vervaagt; wat overblijft is een ideologisch beeld van “de Joden” als moreel verdorven en schuldig. Zo ontstaat een blood libel: een beschuldiging die niet langer verwijst naar feiten, maar naar een vijandbeeld dat zichzelf voedt.

Vanuit die historische gevoeligheid zie ik met groeiende zorg hoe in het hedendaagse debat over Israël vergelijkbare mechanismen werkzaam zijn. Termen als “genocide”, “apartheid”, “kolonialisme” en “bezetting” worden in bepaalde activistische contexten niet gebruikt als nauwkeurige juridische begrippen, maar als ideologische etiketten die een volk of een staat reduceren tot een morele karikatuur.

Dat betekent niet dat elk gebruik van deze woorden per definitie onjuist of kwaadaardig is. Maar in vele discoursen functioneren ze niet langer beschrijvend; ze worden instrumenten van demonisering. Slogans die emoties aanwakkeren in plaats van de werkelijkheid te verhelderen. Wapens in een ideologische strijd, geen middelen tot analyse. Precies daarin schuilt hun gevaar.

De parallellen met Mattheüs 27:25 zijn niet historisch, maar retorisch. In beide gevallen zien we hoe taal wordt losgemaakt van nuance en context, hoe een collectief wordt aangesproken alsof het één morele actor is, hoe een complex conflict wordt teruggebracht tot een zwart-witbeeld, en hoe woorden worden gebruikt om een vijandbeeld te creëren dat zich afsluit voor correctie.

Wanneer ik hoor hoe pro-Palestijnse groepen en Hamas-aanhangers termen als “genocide” en “apartheid” hanteren, herken ik datzelfde mechanisme. De woorden dienen niet om een juridische discussie te voeren, maar om een moreel oordeel te vellen. Niet om de werkelijkheid te onderzoeken, maar om een vijandbeeld te bevestigen. Ze functioneren niet als begrippen, maar als beschuldigingen. In die zin zijn het moderne blood libels.Het gaat er niet om politieke kritiek onmogelijk te maken. Kritiek op staten, regeringen, beleid en militaire acties is essentieel in elke democratische samenleving. Maar kritiek verliest haar legitimiteit wanneer zij omslaat in demonisering. Wanneer woorden worden gebruikt om een volk te ontmenselijken, wanneer begrippen worden ingezet als wapens, wanneer taal wordt gebruikt om haat te mobiliseren, betreden we gevaarlijk terrein. De geschiedenis van het antisemitisme laat zien hoe snel zulke retoriek kan ontsporen.

Daarom is het noodzakelijk deze mechanismen te benoemen. Niet om historische situaties gelijk te schakelen, maar om zichtbaar te maken hoe vijandbeelden ontstaan. Hoe taal groepen kan reduceren tot negatieve morele categorieën. Hoe woorden kunnen worden ingezet om haat te legitimeren. En hoe belangrijk het is om alert te blijven op elke vorm van retoriek die mensen ontmenselijkt, ongeacht wie het doelwit is. 

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Dec 25 2025 | 00:07:12

De Bijbel gebruikt het woord gebod (Hebreeuws mitsvah, van tsivvah; Grieks entolē) niet als een koude regel, maar als een verbondswoord. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament verwijst het naar Gods liefdevolle leiding. Tsivvah betekent “opdragen” binnen een relatie van trouw: Gods geboden zijn bedoeld als wegwijzers naar leven, welzijn en toekomst, zoals te zien is in Deuteronomium 4:40 en Jozua 1:7. Ze beschermen het leven en rusten de mens toe.Het Nieuwe Testament sluit hier direct op aan. Entolē krijgt bij Jezus een diepe, relationele betekenis. Zijn woorden in Johannes 14:15 en 15:12 laten zien dat gehoorzaamheid voortkomt uit liefde en dat Zijn gebod — elkaar liefhebben zoals Hij liefheeft — de vervulling is van Gods bedoeling. 1 Johannes 5:3 verbindt dit expliciet met Deuteronomium: Gods geboden zijn niet zwaar, maar een weg naar leven.Daarom is het onjuist te denken dat christenen “niets met de Torah te maken hebben”. Jezus schaft de Torah niet af, maar bevestigt en verdiept haar. “Mijn geboden” verwijst naar dezelfde goddelijke wil die Mozes onderwees. De Torah van Mozes en de wet van Christus zijn geen tegenpolen, maar verschillende momenten in hetzelfde verhaal van Gods onderwijzing. Wie Jezus volgt, wandelt in de weg die God vanaf het begin heeft gewezen: een leven van liefde, trouw en gehoorzaamheid.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Dec 17 2025 | 00:05:20

Wat betekent het licht van Chanoeka werkelijk?

In de Talmoed wordt het wonder van een kruikje olie centraal gesteld, bij Hegel verschijnt licht als de zelfopenbaring van de Geest, en in het Johannesevangelie wordt het licht belichaamd in de Logos die de duisternis overwint.

In deze aflevering wil ik laten zien hoe drie tradities – Joods, filosofisch en christelijk – elkaar ontmoeten in het motief van licht, en hoe dit symbool ons uitnodigt om de overgang van het historische naar het eeuwige te zien.


Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Sep 29 2025 | 00:23:31

Christenen houden van de Psalmen van David, omdat ze worden verbonden met de Messias Jezus. Maar als het gaat om liederen van Israël die een gebed bevatten om Gods verdelging van haar vijanden, trekken Christenen zich terug. Maar juist de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 geven de gelegenheid om dergelijke psalmen concreet te begrijpen. Ik zou z \elfs zeggen: ook deze psalmen zijn "messiaans". In deze korte uitzending van Koinonia Live een uitleg daarover.
Het was een beetje een experiment, omdat ik niet de gebruikelijke opstelling gebruikte, maar gewoon in de huiskamer zat...

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Aug 14 2025 | 00:11:39

Hebben de Palestijnen een recht op terugkeer naar Palestina, in de huidige staat Israël? De Palestijnen houden vol dat die terugkeer een voorwaarde van vrede is. Maar hoe zit het nu echt, feitelijk en juridisch? Ik hoop maar dat Christenen de feiten weer opnieuw gaan beschouwen en zich bekeren van het gedachtenloos herhalen van Hamas-propaganda.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Feb 17 2025 | 00:05:41

In deze blog bespreek ik de trend onder sommige predikanten om te beweren dat God onkenbaar is en dat spreken over God zinloos is. Ik betoog dat hoewel directe kennis van God misschien onmogelijk is, de kerk toch kennis van God overbrengt en veronderstelt in haar leer en praktijken. Ik benadruk het belang van het begrijpen van God door de interpretatie van Gods Woord door de kerk, in plaats van alleen te vertrouwen op persoonlijke ervaringen of subjectieve overtuigingen. Uiteindelijk wil ik de these verdedigen dat de kerk ervan uitgaat dat God gekend kan worden door Zijn woord, en daarom verwerp ik het idee uit dat Gods bestaan en karakter zonder meer buiten ons menselijk begrip vallen.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Jan 25 2025 | 00:45:29

Een "Deep Dive" discussie over Karl Barth's uitleg van het Onze Vader. Dit keer heb ik een aantal vragen en opmerkingen gemaalkt en daarom ging de conversatie een andere kant op.
Het eindsresultaat is een sterk Barthiaanse benadering van het Onze Vader maar toch ook met een nadruk - door mij in de discussie gebracht - over de praktische toepassing van het Onze Vader.

Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/koinonia-bijbelstudie-live--595091/support.

Jan 12 2025 | 00:34:29

Verkondiging Medemblik 12/1/25

Vandaag mocht ik in Medemblik voorgaan in de eredienst. Ik had dezelfde preek als vorige week, zodat de gemeente voor de tweede keer het verhaal hoorde over de drie koningen. Het waren natuurlijk geen koningen, maar magiërs. Daarom vertelde ik ook over de middeleeuwse belangstelling voor deze magiërs, die al snel werden gezien als koningen en de namen Caspar, Melchior en Balthasar kregen.
Het bijzondere aan de preek van vandaag vond ik wel de vrijheid waarmee ik over de tekst van Matteüs 2 heb gesproken. In de eerste plaats wilde ik wat historische problemen oplossen. Waar kwamen de koningen vandaan? Eigenlijk weten we dat niet. Waren het er precies drie? Ook dat weten we niet. Hoe zat het met die ster? Of was het misschien een ander verschijnsel aan de nachtelijke hemel? Misschien wel de conjunctie van Jupiter en Saturnus? Het idee is dat Jupiter de oude koning representeerde en Saturnus de nieuwe koning. Volgens astronomen verscheen in het jaar 7 voor Christus Jupiter boven Saturnus. Dat wil zeggen, de oude koning regeerde nog, maar in het jaar 4 voor Christus verscheen Saturnus boven Jupiter. De nieuwe koning staat dan hoger dan de oude koning in de astrologische symboliek van deze magiërs.
Daarbij moet je begrijpen dat deze conjunctie plaatsvindt in het sterrenbeeld Vissen, dat altijd werd geassocieerd met Israël. Maar daarmee zijn niet alle vragen beantwoord. Waarom zouden deze magiërs interesse hebben in de geboorte van een nieuwe koning in Israël? Het is waar dat Matteüs kon weten dat deze magiërs in het huidige Iran, in Perzië, ook wel koningmakers werden genoemd. Koningmakers omdat zij konden bepalen op grond van astrologische tekens wanneer een nieuwe koning werd geboren en wanneer dus de oude koning zou moeten aftreden ten gunste van de nieuwe.
Zelfs als dat zo is, blijft toch de vraag overeind waarom zij interesse zouden hebben in deze nieuwe koning in Israël. En dat leidt tot een belangrijk punt: namelijk of Matteüs hier geschiedenis beschrijft of een prachtig verhaal vertelt. Ik denk het laatste. Het verhaal van Matteüs wil wedijveren met verhalen uit het Oosten en uit het Romeinse Rijk over de bijzondere omstandigheden van de geboorte van een koning.
Een zaak waar eigenlijk in Israël niemand echt belangstelling voor had, wellicht met uitzondering van Herodes. Als Herodes inderdaad astrologen in dienst had en astrologie belangrijk vond, valt te verklaren waarom hij het getuigenis van de wijzen zo belangrijk vindt. En dat terwijl de schriftgeleerden in Jeruzalem weliswaar vertellen dat de nieuwe koning geboren zou moeten worden in Bethlehem in Judea, maar verder geen enkele interesse tonen in zijn geboorte.
Matteüs vertelt dit verhaal dus vooral om te laten zien wat de toestand is van Jeruzalem. Dat is zijn intentie. Hoe is het gesteld met Jeruzalem? Heel simpel: als de nieuwe koning is geboren, is er voor zijn komst geen belangstelling. En het zijn niet-joden uit het oosten die dit nieuws naar Jeruzalem brengen. Dat laat iets zien van de afdwaling van Israël en hun onverschilligheid tegenover de nieuwe koning.
De interesse van Herodes wordt dan ook alleen gewekt doordat hij een mogelijke opstand tegen zijn gezag vreest. Uiteraard is zijn wens om deze koning te aanbidden doortrokken van valse motieven. Hij zal niets anders willen dan deze troonpretendent doden om zo zijn eigen macht te bevestigen.
Dat was het eerste deel van mijn preek vanochtend. Maar ik wilde eigenlijk iets anders laten zien. Matteüs heeft het niet alleen over de komst van de Messiaanse koning in deze wereld, maar hij brengt ook op een bijzonder poëtische manier tot uitdrukking hoe wij ons tegenover deze koning moeten opstellen.
We horen onze schatkisten mee te brengen en daar goud, wierook en mirre in mee te dragen: het goud van gerechtigheid, wierook als toewijding aan Gods koningschap en mirre voor onze pijn, lasten en zorgen van het leven.
Vooral dat laatste werd onderwerp van mijn preek. We gaan door vele moeilijkheden heen; er is soms chaos en veel lijden bij onszelf of bij degenen die wij liefhebben. Ook die pijn en zorg mogen we bij God brengen. Zoals ik vaak zeg tijdens het gebed op zondag: laten we dan even stil zijn om onze zorgen bij Gods troon achter te laten.
Dat betekent afstand nemen daarvan omdat al die zorgen op onze schouders juist zwaarder maken. We moeten leren beseffen dat uiteindelijk niet alles van ons afhangt; we mogen dat overgeven aan degene die ons willen helpen, net zoals aan God die uiteindelijk alles beheerst.
Kunnen we dat doen, dan worden onze zorgen duidelijker en makkelijker te dragen. Dat is misschien wel de belangrijkste les uit deze tekst als we hem toepassen op onze eigen situatie.
En dan komt die grote vraag: wat hebben wij in onze schatkist meegenomen om deze koning te eren? In het christelijk geloof gaat het immers niet alleen om wat God geeft, maar ook om wat wij zelf mogen geven doo…

Gerelateerde podcasts

Alle podcasts A-Z